Aan de Wymerts

Merk 4
8711 CL Workum
tel. 0515 - 54 12 31










'Aan de Wymerts'
van kribbe tot bruidssuite
Minte de Jong


In 2010 werd op Noard 39 het hotel 'Aan de Wymerts' geopend. Eens stond hier een huis met vijf kribben voor cholerapatiënten. Later kwam er een post- en telegraafkantoor. Nog weer later, nu ongeveer honderd jaar geleden, werd er een Armhuis gesticht. In de dertiger jaren van de vorige eeuw werd het Armhuis een tehuis voor ouden van dagen. Rond 1970 gingen zij naar elders en werd hun tehuis, dat toen al lang de naam 'Wymertshof' droeg, een tehuis voor geestelijk minder validen. Nu is 'het huis met de vijf kribben' veranderd in een prachtig hotel met een heuse bruidssuite, waar pas, maar ook reeds lang getrouwden hun vertier kunnen zoeken. Prachtig ook, dat de 'Wymerts', de naam van de gracht, die Workum vroeger door midden kliefde, behouden blijft. Een historische terugblik.

Mijn historische terugblik begint in het midden van de 18de eeuw. Workum was toen verdeeld in espels en buitenkwartieren, de huizen hadden nog geen nummer. In het begin van de 19de eeuw werd dat anders. De stad werd verdeeld in wijken (A t/m G) en de huizen kregen een nummer. Noard 39 bevond zich toen in wijk D en had als huisnummer 48 (D 48).

Omstreeks 1749 is de rijke doopsgezinde rentenier Johannes Klases Hinlopen eigenaar van het latere pand D 48. Het wordt bewoond door de vroedsman Adrianus Carolinus. Zijn verkiezing tot vroedsman in het jaar 1731 werd door de weduwe van Johan Willem Friso, Marie Louise van Hessen Kassel, beter bekend als Marijke-Meu, voor onwettig verklaard. Drie jaar later wordt hij wel toegelaten in de vroedschap en blijft daarin zitting houden tot aan zijn dood in 1767. Workum had in de tijd een stadsregering (magistraat en vroedschap) bestaande uit 32 personen: 8 burgemeesters (magistraat) en 24 vroedsmannen (vroedschap). Zij werden voor het leven benoemd. We maken nu een sprong in de tijd naar het jaar 1801. In dat jaar wordt de kapitein ter zee Gerrit Sijtses Panne eigenaar en bewoner van D 48. Hij overlijdt op 15 mei 1818 in de stad Havanna op Cuba. Pas vier maanden later hoort zijn vrouw het treurige nieuws. Zij blijft tot aan haar dood in 1832 in het huis wonen.

Ziekenbarak.
In dat zelfde jaar breekt er in Nederland weer eens een cholera-epidemie uit. Uit voorzorg richt het gemeentebestuur, op last van de gouverneur van Friesland, een noodhospitaal in. Gekozen wordt voor het pand D 48, dat toen leeg stond. Hierin worden vijf kribben geplaatst, welk aantal zo nodig verdubbeld kon worden, verder het nodige beddegoed, een badkuip, keukengerij en een draagmand voor het vervoeren van zieken. Op verscheidene plaatsen in de stad waren biljetten aangeplakt met daarop de levensregelen om de cholera onder Gods zegen af te weren.
In 1834 wordt de houtkoper Hendrik Jarigs Deinum eigenaar van het pand. Tijdens de Franse overheersing wordt hij uitgeloot voor het leger van Napoleon. Gelukkig voor hem weet hij twee plaatsvervangers te vinden. Dat zal hem wel een paar centen gekost hebben. Hij trouwt met Aukjen Gerrits Panne, een dochter van de vorige eigenaar. De volgende eigenaar en bewoner is de baardscheerder (later koopman/winkelier) Matthijs Jans Steensma. Deze
verkoopt het pand in 1866 aan de rentenier Sjoerd Sjoerds Postema. Een jaar later wordt het naastgelegen pand D 47 bij D 48 gevoegd. Toen moet ook het gebouw zijn ontstaan met de voorgevel zoals we die nu nog kennen. Sjoerd Postema overlijdt op 25 januari 1869 op 79 jarige leeftijd. Zijn elfjarige zoon Sjoerd wordt dan eigenaar. Hij vertrekt samen met zijn moeder en zijn jongere broer in 1871 uit Workum.
Kaartje uit 1832

Post- en Telegraafkantoor.

Geheel rechts het postkantoor (ca. 1900)

In de notulen van de gemeenteraad van vrijdag 28 april 1871 lezen we het volgende:
Gehoord Burgemeester en Wethouders, dat zij rondgekeken hebben naar een gebouw, geschikt om ingericht te worden als Post- en Telegraafkantoor, dat hun geen betere gelegenheid is voorgekomen dan het huis tegenover het stadsburgerweeshuis, toebehoorende aan den minderjarigen Sjoerd Sjoerds Postema.

De brievenbestellers van Workum in 1895. Derde van links Johannes Jetzes Lentz. Vierde van links Michiel Wiegers de Jong. Geheel rechts Wieger Michiels de Jong. De foto is waarschijnlijk genomen achter het postkantoor, dat toen gevestigd was op ’t Noard in het pand, dat we goed hebben gekend als 'Wymertshof'.

Van 1873 tot 1914 sierde dit wapen de gevel van het postkantoor.
Na de verhuizing van het postkantoor naar de Begine in 1914 werd het bewaard door gemeentewerken.
In 1983 vertrok het postkantoor weer uit de Begine naar 't Noard, het wapen werd toen herplaatst.
In 2012 is het geschonken aan Warkums Erfskip.


Armhuis.
Het Post- en Telegraafkantoor verhuist in 1914 naar een nieuw kantoor in de Begine naast het oude stadhuis. Het vrijgekomen pand D 47/D 48 wordt dan ingericht als armhuis. Daarvoor waren de stadsarmen al een tijdje ondergebracht geweest in de noordvleugel van het weeshuis. Voordat ik verder ga, wil ik toch nog even terug in de tijd en stilstaan bij de zorg voor de armen in vroeger tijd in Workum.

Vanouds heeft de gemeenschap, ook in Workum, de bijstand aan armen hoog in haar vaandel gevoerd. Vaak bemoeiden de Staten van Friesland zich ook met de armenzorg, zoals bijvoorbeeld in 1755. Toen vaardigden de Staten een plakkaat uit waarbij alle kerkelijke gemeenten werden verplicht voor hun eigen armen te zorgen. De stadsarmvoogdij bleef voor de armen zorgen, die geen lid van een kerk waren. Dat waren er in die tijd niet zo veel, omdat bijna iedereen lid was van een kerk.

Ik 'sneup' vaak in de huis- en woonregisters uit de 18de en 19de eeuw. Steeds valt mij daarbij op het grote aantal diaconiekamers in Workum. Eengezinswoninkjes bestaande uit slechts één kamer, van pak weg 4 bij 4 meter, met een bedstedenwand. De toestand in die kamertjes was vaak allerbelabberdst, zoals blijkt uit een rapport uit 1852.

Tot bevordering van de zindelijkheid en gezondheid van een aantal bewoners van Armenwoningen aan de noordzijde van het kerkhof, in het Pijlsteegje en in de Bagijnestraat, is het eene volstrekte noodzakelijkheid, dat die talrijke behoeftige bewoners in de gelegenheid worden gesteld om zich op eene geschikte wijze van goed zuiver water te kunnen voorzien, waartoe thans geene gelegenheid bestaat dan op eenen verren afstand uit de Diepe Dolte, dewijl de sloot achter het kerkhof vol allerhande vuiligheid zit, en ook niet zuiver gehouden kan worden, en ook de Wymerts te ver af is, en dat water in de zomer vaak onbruikbaar is. Voorts dat de bewoners der zoo even genoemde Pijlsteeg (wier zindelijkheid bij het gebrek aan water en het bijna volslagen gemis van zonlicht men waarlijk moet prijzen, ja bewonderen) eene grooten overlast hebben te verduren van de mesthoopen, door de weduwe P. Maart en door G. Overmeer tegen de stekken geworpen, welke hunne percelen van de Pijlsteeg scheiden en waarvan de vuiligheid de straat en goot in die steeg verontreinigt en de buitendien reeds zoo bedompte woningen door hunnen stank verpesten.

Alle kerken in Workum hadden vroeger een armhuis. De gereformeerden hadden hun armhuis op It Súd. In 1796 was hier de weduwe van Schelte Jans 'oudmanshuijs-moer' en voerde er de scepter over 13 armen. Op It Noard, naast het huis van de 'rooms priester' Jorna, hadden de 'roomsgezinden' hun armhuis. In de omgeving van de Pilekaan stond het armhuis van de doopsgezinden. Pas omstreeks de voorlaatste eeuwwisseling ontstond er behoefte aan een stadsarmhuis uitgaande van het Burgerlijk Armbestuur.

In 1854 wordt de verplichting van de kerken om hun eigen armen te verzorgen, afgeschaft. Zij mogen in het vervolg zelf bepalen welke armlastigen zij wel en welke zij niet wensen te bedelen. Dat had mede te maken met de omstandigheid dat de financiële middelen van de kerken vaak ontoereikend waren. Door deze maatregel werden in toenemende mate veel probleemgevallen doorgeschoven naar burgerlijke armenzorg. Zo bedeelde in 1856 de Hervormde Diaconie gedurende het gehele jaar 69 en tijdelijk 42 personen, de Doopsgezinde Diaconie 2 personen het gehele jaar en tijdelijk 2, de Christelijk Afgescheiden Diaconie 5 personen het gehele jaar en tijdelijk 3, de Rooms-katholieke Diaconie 32 personen het gehele jaar en tijdelijk 26, maar het Burgerlijk Armbestuur niet minder dan 262 personen gedurende het gehele jaar en tijdelijk 273 personen.
Schilderij van de Sneker schilder Jan Buitenveld
We gaan weer terug naar het stadsarmenhuis. De eerste vader en moeder waren Jan van der Plaats (een broer van de oerpake van Auke van der Plaats van de Inthiemasingel) en zijn vrouw. Zij bewonen met de behoeftige armen de achterkamer van het huis en hebben voor privé gebruik een slaapkamer boven.

In het armhuis hadden de voogden van het burgerlijk armbestuur ook een kamer. Daar hing een fraai schilderij van de Sneker decoratieschilder Jan Buitenveld, die leefde van 1747 tot 1812. Ds. T.H. Siemelink, rond 1900 doopsgezind predikant te Workum, geeft in zijn boek 'Geschiedenis van de stad Workum', de volgende beschrijving van het schilderij:

De stedemaagd (dit is de vrouw centraal op het schilderij met het wapen van Workum op haar borst), uit den overvloed aan hare voeten gaven uitdeelende aan ouden en armen, terwijl de muze der geschiedenis hare daden boekstaaft; maar de muze van het rechtvaardig oordeel, met haar open oog, ontvlucht met afgewend gelaat deze stedelijke armenzorg en werpt banbliksems op haar, alsof zij zeggen wil: uwe voorstelling is schijn, uw daad geen liefde; gij hebt niet getracht om hulp te bieden, maar zooveel mogelijk trachten te ontwijken. Geen al te vlijende woorden richting burgerlijk armbestuur.

In 1932 wordt de naam armhuis gewijzigd in 'tehuis voor ouden van dagen'.

Tehuis van Ouden van Dagen (1946)

De Wymertshof.
Op 19 mei 1958 besluit de gemeenteraad aan het 'tehuis voor ouden van dagen' de naam 'Wymertshof' te geven. Het eerste deel van de naam verwijst naar de vroeger door Workum lopende gracht 'Wymerts'; het tweede deel van de naam 'hof', in de betekenis van hofje, geeft de bestemming van het gebouw aan: huisvesting en verzorging van bejaarden. In het midden van de 60er jaren bestaat de bevolking van Wymertshof voor de helft uit bejaarden en voor de andere helft uit geestelijk minder validen. Het moment was aangebroken zich te beraden over de toekomst van de inrichting. Men wil in ieder geval af van een gemengde bevolking. De bejaarden kunnen immers ook onderdak vinden in 'Mariënacker'. Daar komt nog bij dat er in Friesland een groot tekort was aan vestigingsmogelijkheden voor geestelijk minder validen. In overleg met de provincie wordt derhalve besloten de bestemming van 'Wymertshof' te wijzigen in een gezinsvervangend tehuis voor geestelijk minder validen. Verder wordt besloten de opnamecapaciteit drastisch te verhogen tot 26 personen.. Dat betekende dus nieuwbouw.

'Wymertshof' (vóór 1970)

Het oude gebouw wordt afgebroken maar moest wel weer in de zelfde stijl worden opgebouwd. Door de vorm van het beschikbare terrein wordt de nieuwbouw langgerekt, bijna tot aan de Droege Dolte. De belendende huizen links (Noard 37) van meester Wielinga en rechts (Noard 41) van Faber worden aangekocht. Het huis van meester Wielinga wordt afgebroken waardoor een brede toegangsweg tot het complex ontstaat. Het huis van Faber wordt directeurswoning. Begin 1972 is het gehele complex gereed.

In 2008 verhuizen de bewoners van Wymertshof naar elders in Workum. Nog geen twee jaar later is het vroegere pand D 48 aan de Wymerts een prachtig hotel geworden met een heuse bruidssuite.