Waar stond de Latijnse school

Merk 4
8711 CL Workum
tel. 0515 - 54 12 31










Waar stond de Latijnse school
Minte de Jong

Sint Gertrudiskerk en de oude sacristie (begin 20ste eeuw)

Velen denken dat de oude sacristie van de Sint Gertrudis kerk - het gebouw dat in de 16de eeuw tegen de zuidelijke muur van het koor van de kerk is aangebouwd- vroeger de Latijnse school was. Maar is dat ook zo. Het antwoord kan kort zijn: nee !! Waar stond de Latijnse school dan wel? Daarover hoop ik in dit artikel enige klaarheid te brengen. Verder ga ik in op het onderwijs aan de Latijnse school, het rectoraat en de rectoren die aan de school waren verbonden.


Het onderwijs aan de Latijnse school.

Over de organisatie van en het onderwijs aan de Latijnse school van Workum is weinig bekend. Om u toch enig inzicht te geven, gaan we een kijkje nemen in de Latijnse scholen van Leeuwarden van rond 1800. Meester Bruno L. van Albada, die van 1828 tot 1860 hoofdonderwijzer was aan de tweede stadsschool te Workum, heeft in het begin van de 19de eeuw de Latijnse scholen in Leeuwarden gevolgd. Hij heeft daarover in zijn kostelijke boekwerkje "Uit de oude en nieuwe doos" enkele hoofdstukken gewijd.

"Mijn leerjaar was verstreken, ik verliet de Fransche school, om aan de Latijnsche school te worden ingeschreven. Voordat ik werd toegelaten, moest ik eerst een toelatingsexamen afleggen bij één der schoolarchen. Trots op mijn tenue (de hoed nog eens nageschuiverd, de halve laarzen spiegelglad gepoetst, een strik om den das gelegd, een bouffante (wollen halsdas) om de hals geslingerd, 't wambuis van boven tot beneden dichtgeknoopt, en de blauwe zakdoek met een tipje naar buiten gebracht), stapte ik, onder geleide van mijn vader, naar de St. Jacobsstraat, waar de schoolarch woonde. We werden binnengeleid door een huisknecht, die ons in de voorkamer bracht en zijn heer kennis van onze aankomst gaf. Deze liet niet lang op zich wachten. Zijn Wel Edele haalde Gellerts fabelen voor den dag en liet mij lezen: de kikvorsch, die zich tot de omvang van een os poogde op te blazen. Hij ondervroeg mij naar't voorgelezene. Hierna kreeg ik eene kakographie (geschrift vol fouten) te verbeteren, een rekenkundig probleem op te lossen en eene taalkundige analyse. Ofschoon niet summa cum laude, bekwam ik het, in 't Latijn geschreven, testimonium (getuigschrift). Vader bedankte den heer L, gaf den huisknecht een fooi, en zo verlieten wij de St. Jansstraat. Voorbij de ramen van ons huis komende, stak vader het testimonium, als behaalde triomf, omhoog. Gelukkig waren grootmoe en moeder niet zeer zenuwachtig geweest, zoodat ze geen flauwte kregen bij het plotseling vernemen van de blijde tijding; integendeel, nog geen twee uren later zong grootmoe weer haar geliefkoosden 130ste psalm, naar vader Datheen: Uit diepten van ellenden, en liet daarop volgen: Een tuinman, droef te moede. Nog den zelfden dag werd bij den zadelmaker een boekenroem besteld: een draagmiddel voor boeken van Latijnsche jongens.

Minzaam en voorkomend werd ik, met nog vijf nieuwelingen, door den Praeceptor ontvangen. Het gebouw waarin 't gymnasium was, stond in de Bollemansteeg, hoek Bagynestraat, kenbaar aan eene oud-gotische poort. Deze poort diende tot ingang van alle vier Latijnsche scholen, die van de Praeceptor en Conrector beneden en van den Prorector en Rector op den bovendieping, welke scholen gezamenlijk bezocht werden door 30 à 40 leerlingen. Gedurende de eerste week kwam, ons nieuwelingen, het gedrag van den praeseptor vreemd en verdacht voor, wijl hij ons hoogst vriendelijk bleef behandelen, en zelfs met ons lachte en schertste. De oudere discipelen daarentegen werden op elken misslag betrapt, kregen knorren, ondergingen tentoonstellingen, schoolarrest en ook de plak werd dikwijls gebruikt. In de tweede week was het ook voor ons met de vriendelijkheid van den Praeceptor gedaan.

Onze lessen liepen geregeld af van maandag tot zaterdag. Elken morgen werden ons de woordenlijsten afgevraagd, die we thuis van buiten hadden moeten leeren, daarna lezen en analyseren, of vertalen. `s Dingsdags- en 's vrijdagsnamiddags thema`s maken. De overige namiddagen behandelden we de prosodie (versleer, leer van maat en ritme), etymologie (woordafleiding) of syntaxis (leer van de zinsbouw) naar Vossius, of moesten declineeren (verbuigen) of conjugeeren (vervoegen). Tussendoor werd ook Grieksch beoefend. Gewoonlijk bleef men anderhalf jaar bij den Preaceptor en ging met eene oratie (redevoering) op, bij welke gelegenheid examen werd gehouden ten aanhore van curatoren en leden van den gemeenteraad, ouders en belangstellenden in de raadszaal van 't Stadhuis. Ik slaagde als tertius.

We hadden nu drie weken vacantie. Na de vacantie kregen wij nieuwelingen zitting op de schoolbanken bij den eerwaardigen, grijzen Conrector Hobbema. Hier kregen we een nieuwe serie leerboeken; wij bekwamen de brieven van Cicero en Ovidius, de Grieksche grammatica van Scheidius en een Grieksch testament. Na anderhalf jaar ging ik van hier naar den Prorector, den heer Slothouwer. De leerboeken werden vermeerderd met Virgilius, Horatius, Terentius en Homerus. Na deze school ook anderhalf jaar te hebben doorlopen, ging ik naar de rectorschool. De leerboeken, die we hier gebruikten, bestonden voornamelijk in Homerus, 't Grieksche testament, eene Hebreeuwsche grammatica, Juvenalis, een Hebreeuwsch psalterium, en de diatribe (letterlijk: scherpe kritiek) van den Rector.

Alsoo sleet ik zes van mijn beste leerjaren, altijd knagende aan dode talen. Andere vakken werden er niet gegeven. Het einde-examen legde ik in 1811 af, dit maal niet op 't stadhuis, maar in de kerk van de Waalsche gemeente. Misschien omdat de loting der conscriptie (loting voor de krijgsdienst in het Napoleontische leger) omstreeks dien tijd op 't stadhuis plaats vond."

Hier eindigt het relaas van meester Bruno Lieuwes van Albada.

De Latijnse school in Workum was uiteraard veel kleiner dan die van Leeuwarden. Men kon het zich derhalve ook niet veroorloven vier leerkrachten aan te houden. De klandizie zal zich ook beperkt hebben tot Workum, want ook in Hindeloopen en Bolsward was een Latijnse school. Vanaf 1662 was er naast de rector ook een conrector aan de Latijnse school verbonden. Dat heeft geduurd tot 1708. Op 3 december van dat jaar besluit de magistraat en vroedschap "vermits den seer geringen aenwas en schier gansch geen toevloet van kinderen, en de seer kleine genegenheid dieder bespeurt wort omme deselve in de Latijnsche tale te laten onderwijsen het conrectoraat te vernietigen". Vanaf 1730 wordt dominee B. Lemstra, de oudste predikant van de gereformeerde kerk, met het rectoraat belast. Na zijn overlijden in 1775 wordt het rectoraat verdeeld over beide predikanten. In de 19de eeuw wordt het rectoraat weer door één dominee uitgeoefend. In hoeverre de Latijnse school te Workum een volledige voorbereiding was op de academische studie, is moeilijk te zeggen. Weliswaar werden er de vakken Latijn en Grieks -vereist voor een juridische of theologische studie- onderwezen, en naar keuze in de hoogste klas ook Hebreeuws, toch, als we kijken naar het lesrooster (van 1817), waar slechts op 4 ochtenden in de week van 9 tot 11 uur les werd gegeven, en vergelijken dit met het lesrooster in Leeuwarden, dan vermoed ik dat dit niet het geval was. Wellicht wel in de 17de en begin 18de eeuw, toen er een "full time" rector en conrector aan de school waren verbonden. Het afronden van de studie aan de Latijnse school in een grotere stad was overigens niet ongebruikelijk. In 1806 rapporteert het gemeentebestuur van Workum aan het departementaal bestuur van Vriesland, dat er "bij de rector geene discipelen gevonden worden; doorgaans zijn er 2, 3 of 4 discipelen, doch men kan niet zeggen dat het getal sedert jaren is toegenomen".

Het traktement van een rector was niet hoog. Wel werd dit, net als bij de schoolmeesters, aangevuld met de schoolgelden die de leerlingen moesten betalen. In 1633 werd het traktement bepaald op ƒ250 in het jaar en vrij wonen. Een conrector verdiende ƒ200 en had ook vrij wonen. Hij was tevens organist. Vanaf begin 1700 werd het traktement van de rector bepaald op ƒ300 in het jaar en werd daarna ook niet meer verhoogd. Rector en conrector waren afgestudeerde theologen. Meestal bleven zij niet zo lang, vaak al weer na enkele jaren werden zij tot het predikambt beroepen. Ook de predikant/rector kreeg ƒ300 voor het uitoefenen van het rectoraat. In de tijd dat het rectoraat verdeeld werd over twee predikanten, kreeg ieder de helft van dat bedrag. Zoals al gezegd, werd het traktement aangevuld met de schoolgelden In 1815 was dat in het 1ste en 2de jaar per kwartaal ƒ5 per leerling, in het 3de jaar en vervolgens per kwartaal ƒ6,50. In 1816 richt dominee S. van Andringa een verzoek aan de gemeente om hem als emeritus predikant, met behoud van zijn jaarsalaris van ƒ775, ook zijn traktement ad ƒ300 als rector te blijven laten genieten. Terecht wees de gemeente dit af.

De laatste rector is dominee Lammert Martens de Boer, predikant van de hervormde gemeente. Bij zijn overlijden in 1844, komt het rectoraat, volgens "Zijne Majesteits Besluit" van 6 Oktober 1843 nr. 75, te vervallen. Daarmee wordt ook de Latijnse school opgeheven.


Waar stond de Latijnse school.

Kaart van de Merk en omgeving uit het midden van de 17de eeuw

Die vraag is niet zo eenvoudig te beantwoorden. De doopsgezinde dominee en historicus T.H. Siemelink schrijft in zijn boek "Geschiedenis van de stad Workum", dat reeds vroeg in Workum aan de gewone duijtsche (Nederlandse) lagere school een Latijnsche school was verbonden. Volgens Siemelink waren in 1623 van "de oude schole" drie woningen gemaakt ten bate van de diaconie van de gereformeerde kerk. Mogelijk is omstreeks die tijd de sacristie van de Sint Gertrudis kerk als school in gebruik genomen. In 1632 besluit de "magistraat en gesworen gemeente" dat men de "Latijnsche en Duijtsche schoole van malcander sal separeren" en dat de Latijnse school op een andere "bequame plaetse apart gebragt sal worden". Waar is niet bekend. De lagere school blijft in de sacristie zitten, in de schoolmeestersinstructie van 1652 de school "opt kerckhoff" genoemd.

Tussen 1662 en 1708, toen er naast de rector ook een conrector aan de Latijnse school was verbonden, hadden deze hun eigen school in de stad. In 1681 wordt ergens aan It Skil, zuidzijde, een kamer van de doopsgezinde gemeente door de conrector Hylkema als school gebruikt. Op 26 februari 1703 wordt de conrector C. Bos op zijn verzoek toegestaan school te houden in de Waag. In de huis- en woonregisters van 1751 tot en met 1767 staat, dat de gereformeerde predikant B. Lemstra, tevens rector van de Latijnse school, eigenaar en gebruiker is van een "hoff en school". Deze "hoff en school" bevond zich op de plaats waar tegenwoordig de Klameare staat. Daarvoor (van 1721 tot 1726) was de stad Workum eigenaar van deze plaats. De bewoner, rector van Huijsen, hield daar toen school. In een resolutie van 13 november 1792, waarbij dominee W.E. Chatin en dominee S. van Andringa worden aangesteld het rectoraat voor de helft te bedienen, en "alsoo de jeugd hier ter stede, zulks begerende, in de Latijnse school te onderwijzen te hunner huize".

Waar stond de Latijnse school? Niet op het kerkhof.!! In de oude sacristie van de Sint Gertrudiskerk was vanaf het midden (wellicht ook al eerder) van de 17de eeuw tot omstreeks 1840 de eerste stadsschool gevestigd. Tot 1870 zat de school voor kosteloos onderwijs hier, en van 1871 tot 1880 werden er patiënten met een besmettelijke ziekte in verpleegd. Daarna wordt de sacristie in de bronnen consequent "oude school" genoemd.

Latijnse school te Workum 1723, tekening van J.H. Stellingwerf.